Daar staat-ie dan. Sinds 1893. Jan Pieterszoon Coen. Fier op zijn sokkel, alsof hij net iets goeds heeft gedaan. De man die vond dat massamoord een positief effect zou hebben op de handelsbalans, kijkt nog steeds uit over de Roode Steen in Hoorn. En wij? Wij cirkelen er al jaren omheen – met gesprekken, meningen en de hoop dat als je maar lang genoeg praat, het beeld op een dag vanzelf van z’n sokkel stapt.

Gelukkig kunnen we dat praten hier als de beste. Hoorn is inmiddels toe aan seizoen twee van de Stadsgesprekken. En dat is een goede zaak, want over geschiedenis, pijn en erfgoed moet je niet luchtig doen. 

Maar we moeten ook eerlijk zijn over die eerste ronde.

Die werd namelijk… ongemakkelijk. In plaats van een open gesprek tussen inwoners, kregen we een lesje. Letterlijk. Een paar lokale zwaargewichten gingen voor de klas staan – vol scholieren. De boodschap was: wij vertellen, jullie luisteren. Velen herkenden zich niet in de toon. Of überhaupt in het idee dat dit een gesprek moest voorstellen. Het had ook gewoon “Publiekscollege Coen 1.0” kunnen heten.

Maar goed, niemand wil een slechte herhaling. Dit keer zal het anders gaan, is de belofte. Minder zenden, meer luisteren. Een tweede ronde met echte burgerinput – of in elk geval iets wat daarop lijkt. Tachtig inwoners zijn geloot. Willekeurig, maar dan wel op z’n Hoorns: met spreiding over wijken, leeftijden en waarschijnlijk ook het vermogen om te luisteren zonder direct te roepen.

De methode heet emotienetwerken; een onderzoek naar de complexe interacties tussen mensen en erfgoed en mensen onderling. Geen debat, geen besluit, maar wel veel gevoel. Klinkt als groepsyoga voor het geweten, maar vooruit – het lijkt al een stuk minder eenrichtingsverkeer dan de vorige keer.

En ergens is dat ook mooi: praten, echt luisteren, proberen elkaar te begrijpen. Dat verdient waardering. Alleen… daaronder blijft wel dezelfde vraag zinderen: wat doen we met dat beeld?

Want dáár draait het natuurlijk om. Coen zelf verandert niet. Hij staat daar als een bronzen meester in het stilzitten. Hij heeft protesten, brieven, moties en een eenmansactie met bolhoed en bord moeiteloos overleefd. Zijn geheim? Hij zegt niks, hij doet niks, en niemand durft echt iets met hem te doen.

De meningen daarentegen zijn duidelijk. De ene groep wil hem nú weg. De andere wil hem gewoon laten staan – zoals hij er altijd al stond. Geen gedoe aan het beeld zelf, de geschiedenis is immers al gebeurd. En de gemeente? Die zegt: “Rustig aan. We gaan eerst praten.” Want wat je ook van Coen vindt: we willen het wel netjes doen. Volgens de regels. Via een ordentelijk democratisch proces. Zoals het hoort. Al kost het een paar gespreksrondes extra.

En mocht je als buitenstaander er ook iets van willen vinden: helaas. Alleen inwoners van Hoorn mogen meepraten. Blijkbaar stopt het koloniale verleden keurig bij de gemeentegrens. Woon je een dorp verderop? Jammer. Vol is vol.

Dus ja, Coen blijft voorlopig staan. Niet omdat we dat nou zo graag willen, maar omdat praten veiliger voelt dan besluiten. En omdat we het idee hebben dat praten zélf al iets oplost. Ondertussen kijken we naar dat beeld alsof het iets groots vertegenwoordigt, terwijl het vooral een brok brons is dat onze besluiteloosheid in alle rust weerspiegelt.

Misschien moeten we er gewoon een tweede beeld naast zetten. Van een Hoornse burger met een kop koffie in de hand, licht voorovergebogen, op het punt om iets genuanceerds te zeggen. Titel: ‘De Stadsgesprekvoerder’. Voor altijd in overleg. Met zichzelf en met de rest.

Ook erfgoed. Maar dan van deze tijd.