Op mijn eerste smartphone, alweer jaren geleden, kreeg ik voor het eerst een melding over een verdachte situatie. Iemand had een busje gezien. Wit. Met geblindeerde ramen. Het stond er al tien minuten. Wat in die tijd blijkbaar lang was. Paniek alom. Drie mensen adviseerden 112 te bellen. Eén iemand stelde voor eerst even te kijken of het misschien gewoon een busje was. Dat bleek het uiteindelijk ook te zijn. Het was van een schilder. Niks aan de hand.

Zo ontdekte ik, net als veel anderen, dat ons dorpsplein niet meer van steen is, maar van pixels, met een ander perspectief op wat er gebeurt. Het ligt niet naast de kerk, maar tussen mijn ontbijt en mijn tandenpoetsen in. Het nieuwe dorpsplein heet ‘de buurtapp’. Of WhatsApp. Of Facebook. Soms allemaal tegelijk, voor wie écht niets wil missen.

Iedereen is er. Mensen die ik in het echt alleen herken aan hun hond, blijken digitaal complete persoonlijkheden te hebben. Met uitgesproken meningen. Vooral over afval, loslopende katten en honden, en auto’s die volgens sommigen structureel verkeerd geparkeerd staan.

Vroeger ging je voor contact naar de vereniging. De sportclub, het koor, de toneelgroep. Dat kostte tijd, inzet en contributie. Nu is één tik met je duim genoeg. Geen bardienst, geen vergaderingen, geen koffie die naar karton smaakt. Wel directe inspraak. En emoji’s. Heel veel emoji’s. En dat alles op een moment dat het jou uitkomt.

Wie al wat langer op het digitale dorpsplein rondstruint, herkent de vaste figuren. De Melder, die alles ziet. Altijd. Dag en nacht. De Bemiddelaar, die bij elke woordenwisseling zegt dat “we het wel gezellig moeten houden met elkaar”. De Stille Lezer, die bijna nooit iets zegt maar alles weet. En natuurlijk de Toetsenbordheld, dapper en fel, veilig anoniem.

Ik geef toe: soms krijg ik zelf ook de neiging om impulsief in niet al te parlementaire taal te reageren. Eens heb ik, in een licht opgewonden gemoedstoestand, bijna een hele pagina getypt als weerwoord. Vol overtuiging. Vol uitroeptekens. Nog één keer gelezen. En toen… niet verzonden. Want zelfs op het nieuwe dorpsplein geldt: sommige gedachten kan je maar beter laten waaien.

Ach, ik ben ook maar een mens. Met voorkeuren en irritaties. Met sterke meningen over zwakke argumenten. En met net genoeg zelfkennis om te weten dat óók ik onderdeel ben van de drukte waar ik soms over zucht.

En toch, tussen de lichte paniek en de overdreven verontwaardiging door, gebeurt er soms iets moois. Iemand raakt zijn poes kwijt en vindt hem terug. Iemand heeft een ladder nodig en krijgt er drie aangeboden. Iemand zet een foto van een ontsnapte kip in de groep, waarna de halve buurt ineens op zoek gaat naar een kip die er zelf helemaal geen behoefte aan heeft om gevonden te worden.

Is het leuker geworden dan vroeger op het stenen dorpsplein? Misschien niet altijd. Maar het is er zeker levendig. Het digitale dorpsplein is nooit leeg. Zelfs niet om twaalf uur ’s nachts, als iemand zich vertwijfeld afvraagt of vuurwerk in juli normaal is — terwijl een West-Fries weet dat er vast ergens een verjaardag met een rond getal wordt gevierd.

Misschien is dat wel wat dit nieuwe dorpsplein vooral is: rommelig, luidruchtig en soms vermoeiend, maar onvermijdelijk. Het is de plek waar je merkt dat je hier niet alleen woont, ook al kijkt iedereen op zijn eigen telefoon.

En ik? Ik klaag er weleens over. Ik houd me soms in. En ik lees alles mee. Ben net zo verslaafd aan het nieuwe dorpsplein als jij.