Er was eens in een ver gebied een stad met een wijze burgemeester. Hij vond het maar niets om zelf alle beslissingen voor de stad te moeten nemen en besloot na een goede raad een raad in te stellen. Een raad die mocht meebeslissen bij moeilijke beslissingen.

Nu woonden er in die stad een heleboel verschillende mensen. Zo woonden er de allergrootste mensen en daarnaast hele grote, behoorlijk grote, grote, tamelijk grote, niet zo grote, toch wel wat kleine, tamelijk kleine, kleine, kleinste en allerkleinste mensen.

Daarnaast nog mensen die daar niet zo bij hoorden of wilden horen. De burgemeester koos voor het aantal van veertien raadsleden, waarvan je mocht aannemen dat zij de stadsbevolking goed konden vertegenwoordigen. Zij werden partijen genoemd.

Eigenlijk vonden veel burgers dat het best wel kon gebeuren dat een vertegenwoordiger van een andere lengte dan zijzelf waren betere beslissingen kon bedenken. Veel burgers wisten zelfs niet eens bij welke groep zij thuishoorden.

Zo was er ook een vrouwtje die je gerust tot de allerkleinste bevolkingsgroep mocht rekenen dat zich het beste thuis voelde bij de allergrootsten. Elke vier jaar mochten de stadsbewoners kiezen wie zij in de raad wilden hebben. Elke partij maakte daarvoor een hoop reclame voor zichzelf. Dat deden zij voornamelijk in het laatste van de vier jaren.

Er was echter één partij die alleen in het vierde jaar aandacht voor de eigen partij vragen veel te weinig vond. De Partij van de Allergrootsten stond elke week op de markt. De allergrootse had een bijzonder luide stem en die was elke week tot ver buiten de markt te horen.

Elke week brulde hij een paar keer op de hele uren bijna oorverdovend: ‘Ik word niet gehoord! Ik word niet gehoord!’ Veel mensen vonden dat prachtig en zelfs enkele mensen die bij partijen voor kleinere mensen gerekend konden worden vonden dat, zelfs met oordopjes of watjes in de oren, best wel leuk. Eén van de toerhoorders noemde hem De Grootste Schreeuwer. ‘Dat ben ik niet!’ zei de schreeuwer, ‘Ik ben De Allergrootste Schreeuwer!’

In de raadsvergaderingen probeerde de man van de allergrootste mensen zo vaak mogelijk zijn stem te laten horen. Hij vond het bepaald niet leuk wanneer iemand van de veel kleinere mensen uitgebreid en duidelijk wilde uitleggen waarom de burgemeester een bepaalde beslissing wel of juist niet moest nemen.

De woordvoerder van de Partij voor de Allerkleinsten was een wijze vrouw. Haar stem klonk heel bescheiden. Wanneer er veel omgevingslawaai was, was ze maar moeilijk te verstaan. Toch waren er mensen die haar woorden graag wilden horen, want ze zetten mensen aan tot nadenken. Ze gunde alle burgers van de stad het allerbeste.

Omdat de burgers van de stad zelf mochten weten op wie zij wilden stemmen gebeurde er iets waar de burgemeester niet goed over nagedacht had. De Partij van de Allergrootsten werd veel bekender dan veel andere partijen. De dingen die de leider van de allergrootsten wekelijks op de markt uitschreeuwde waren heel simpel te begrijpen en omdat ze zo vaak werden herhaald begonnen veel burgers ook geloof te hechten aan de beweringen van de allergrootsten.

Bij de eerstvolgende verkiezingen kreeg deze partij zoveel stemmen, dat er voor enkele van de veertien partijen geen plaats meer was in de raad. De leider van de Partij van de Allerkleinsten kon haar zetel nog behouden en tijdens de raadsvergaderingen slaagde zij er steeds in om heel wijze woorden te spreken.

Zo wijs waren die woorden, dat er ook andere mensen naar wilden luisteren. Dat was echter niet naar de zin van het allergrootse raadslid. Hij merkte hoe het allerkleinste raadslid steeds meer invloed leek te krijgen. Hij bedong een nieuwe afspraak voor de vergaderingen. Voortaan mochten partijen met meer zetels in de raad ook langer spreken.

Hoe kleiner de mensen, des te minder spreektijd kregen zij. Dat is tenminste eerlijk, brulde het allergrootste raadslid tevreden. Hoewel, helemaal tevreden was hij niet, want het allerkleinste raadslid maakte met de andere partijen die minder spreektijd kregen afspraken over wat zij graag naar voren wilden brengen en ze spraken af hun eigen spreektijden samen te voegen wanneer zij iets gezamenlijk wilden en het te vertellen verhaal werd verdeeld over al die partijtjes, zodat ze geen spreektijd verspilden.

Door die betere samenwerking gebeurde het steeds vaker dat de Partij van de Allergrootsten een stuk minder spreektijd had dan de gezamenlijke andere partijtjes. De burgemeester zag toe en glimlachte. Zo werd de schade door de onzinnige spreektijdafspraak toch een stuk afgezwakt. En of er nu mensen waren die daardoor lang en gelukkig bleven leven is niet onderzocht.

Disclaimer: De inhoud van de column is uitsluitend voor rekening van de auteur. Streekomroep West-Friesland is niet ge- of verbonden aan een politieke partij of welke politieke richting dan ook, maar geheel autonoom en onafhankelijk.