In Hoorn weet je dat het zover is als de lucht al van ver trilt van gegil, gedreun, muziek met te veel bas en het monotone gebrom van generatoren. Tien dagen lang wordt de stad opgeslokt door knipperlichten en suikerdampen. De Hoornse kermis is geen evenement, maar een uitbarsting. Wat carnaval is onder de rivieren, is hier de kermis: een uitlaatklep waar alles voor opzij gaat.
Al voor de 579e keer organiseert de gemeente dit spektakel. Er is zelfs een kermiswethouder – dezelfde die zich de rest van het jaar onder andere buigt over verkeer, parkeerbeleid, havenzaken en financiën. Maar tien dagen per jaar gaan zijn notities over botsauto’s, suikerspinnen en de zweefmolen.
Mijn nu volwassen kinderen hielden precies bij wanneer de kermis er was. De vakanties werden zo gepland dat we niets hoefden te missen. De voorpret, het uitpluizen welke attracties zouden komen, was al een groot deel van het plezier.
En dan is daar de dag waarop de kermis begint. De kinderen rennen vooruit en ik sukkel erachteraan. Ik laat me, ondanks lichte hoogtevrees, overhalen tot een rondje reuzenrad. Angstzweet loopt over mijn rug. De wind snijdt langs mijn wangen, het piepen van het metaal klinkt vlak naast mijn oor, maar het uitzicht over de stad maakt veel goed. Mijn handen klemmen zich om de koude, kleverige beugel. Terug op de grond voel ik opluchting én trots.
In de loop van de jaren zijn de attracties groter en spectaculairder geworden. Maar de houten achtbaan van vroeger met boemelende karretjes die je rug kraakten, vond ik een sensatie. Daar wilden mijn kinderen altijd in, en meestal ging ik mee.
En dan zijn er de gokautomaten: luxe horloges die, net opgetild door de metalen grijper, weer terugvallen. Steeds weer proberen, “misschien lukt het nu” – en dan tóch mis. Een illusie en een paar euro’s armer, maar de lol maakt alles goed.
De kermis is meer dan attracties en gokken: het is de warmte van de gemeenschap waar je bij wilt horen, de traditie en herkenning die je meevoert, het kleverige van suiker aan je vingers, het vet dat op de klinkers glimt, de geur van olie die in je kleren trekt — een wereld waarin je je graag onderdompelt.
Alles is nét een tikje te veel: geluid te hard, kleuren te fel, suiker te plakkerig — precies zoals het hoort. De kermis is geen brave vrolijkheid, maar een feest dat de boel even losmaakt in een streek waar men liever voelt dan praat.
Toen daten nog flirten heette, was de kermis dé plek om een geliefde te vinden. Handen die niet thuis bleven in het donker van de rups. Er zijn veel huwelijken uit voortgekomen. Nu gebeurt daten vooral online, maar de herinnering hangt nog in de lucht.
Je ziet de ouderwetse romantiek tijdens het optreden van zanger Erwin Fillee, de entertainer van de ‘jongeren van vroeger’. En de nostalgie als de kermispastoor alles een zegen meegeeft alsof het heilig is.
Tussen al dat geluid, gelach en gezang zit, aan de rand van het plein, een jongen op een klapstoel met een kapot geknepen plastic bekertje in zijn hand, een halve meter naast zijn vrienden. Hij zegt niets. Kijkt niet op. Maar hij is er. Soms is dat genoeg, op een plek waar niemand vraagt hoe het echt gaat — als je maar meedoet.
Terwijl hij zo zit, rolt het feest voor je het weet naar zijn uitbundige einde. Na tien dagen licht en lawaai, komt het slotakkoord: Lappendag. Ooit een markt voor textiel, nu vooral bier, herrie en vergetelheid. De straten ruiken naar pils en koude patat, de stenen plakken onder je schoenen.
Het gelach is schor, stemmen slaan over bij het zingen. Je voelt af en toe een onbekende arm langs je plakken, warm en kleverig van bier. Zo uitbundig dat de gemeente het drankgebruik heeft begrensd — niet om het feest te stoppen, maar om het in toom te houden.
In de verte draait de zweefmolen. Stoeltjes zwieren de lucht in, mensen gillen, lachen, zwaaien. Hoe harder het gaat, hoe hoger ze komen, hoe minder contact met de grond. Even weg van alles.
Dinsdag is het stil. Alles weer gewoon. Maar nu nog even niet. Nu draait de molen, en draaien we mee — tot de lucht stil is en de zwaartekracht ons weer zachtjes op de grond zet — tot volgend jaar.


