Op een dag — binnenkort misschien — zal hij er ineens niet meer zijn. De lucht boven de Roode Steen is even blauw, de duiven zijn wat verbaasd, maar de sokkel is leeg. Het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen, meer dan een eeuw prominent aanwezig in het hart van Hoorn, is verdwenen. Hij is dit keer niet vertrokken met een VOC-schip, maar met een gemeentekraan, op grond van een commissiebesluit voorzien van een persbericht.

Wat je er ook van vindt: dat hij daar stond, was nooit toeval. En dat zijn aanwezigheid nu ter discussie staat, ook niet. De een ziet in Coen een visionair koopman uit de Gouden Eeuw, de ander een hoofdrolspeler uit een van de donkerdere hoofdstukken van het koloniale verleden. Wat opvalt: bijna niemand is onverschillig.

En terecht, want het gaat allang niet meer alleen over dat beeld. In Hoorn komt Coens naam vaker terug. Er is een J.P. Coenstraat, een rustige straat met bloembakken, brievenbussen en mensen die gewoon naar de supermarkt willen zonder politiek debat. En aan de Veemarkt is Café J.P. Coen, waar je kunt borrelen onder de naam van een man die zelden als bourgondisch wordt omschreven. Coen is dus niet alleen standbeeld, maar ook straatbord en drankenkaart — deel van het alledaagse stadsdecor.

En in dat opzicht is Hoorn niet uniek. In Amsterdam razen dagelijks duizenden auto’s door de Coentunnel, vernoemd naar de naastgelegen Coenhaven, die op haar beurt weer verwijst naar — inderdaad. In Utrecht slingert de Jan Pieterszoon Coenstraat zich al jaren door een wijk die allang aan hernoeming toe lijkt, afhankelijk van wie je het vraagt. Zijn naam is verspreid geraakt — geografisch én symbolisch.

Daardoor wordt de vraag “Wat doen we met Coen?” ineens minder eenduidig. Het gaat niet alleen om een beeld. Het gaat om identiteit, herinnering, en de verhalen die we zichtbaar maken in onze openbare ruimte. Het is erfgoedbeheer én buurtoverleg, geschiedenisles én straatnaambord.
Wat vooropstaat: dit is een politieke keuze. En politiek betekent afwegen. De een vreest dat verandering leidt tot geschiedvervalsing, de ander dat nietsdoen voelt als collectieve blindheid. Tussen die uitersten liggen talloze tinten grijs. Misschien zegt het beeld zelf uiteindelijk minder dan het gesprek dat het losmaakt.

Stel je voor: de sokkel op de Roode Steen blijft leeg. Of krijgt een wisselkunstwerk, dat per seizoen of thema verandert. De straat houdt zijn naam, met een toelichting erbij. Het café verandert niets, of biedt op de achterkant van de bierviltjes een korte geschiedenisles aan. Alles is denkbaar — mits het zorgvuldig gebeurt.

Misschien helpt het als we er niet alleen met verontwaardiging naar kijken, maar ook met nieuwsgierigheid. Wat vertellen deze namen ons? Wat zeggen ze over toen, wat zeggen ze over nu? En kunnen we het ons veroorloven om daar niet over te blijven praten?

Coen hoeft misschien nergens definitief weg. Of nergens voor altijd te blijven. Misschien is de echte beweging: ruimte maken. Voor gesprekken. Voor andere verhalen. Voor méér perspectieven in het stadsbeeld. En als er dan ooit een leeg sokkeltje op het plein staat, zet er dan een bankje naast. Om op te zitten, te luisteren, te denken, te lachen — en ja, misschien ook om ruimte te laten voor wie we eerder wilden vergeten.

“Geschiedenis wis je niet uit — je verdiept haar. Soms begint dat met een lege sokkel, en een stad die zich afvraagt: wie willen we zijn?”