Rien de Vroome blaast al ruim 30 jaar tijdens dodenherdenking de taptoe vanaf de Grote Kerk in Hoorn. Als eerbetoon aan alle slachtoffers én ook aan zijn eigen vader. “Ik vind het nog steeds een hele eer dat ik het mag doen. Het is een bijzonder moment.”
Als De Vroome in 1968 in Hoorn komt wonen, sluit hij zich aan bij het Hoornse Harmonieorkest als trompettist. Begin jaren ’90 komt het blazen van de taptoe onverwachts op zijn pad. “Degene die het altijd deed, was ziek of afwezig. Toen heb ik ingevallen en ben ik het altijd blijven doen.”
Ooit begon hij met de taptoe te blazen op het Kerkplein, maar verhuisde al snel naar bovenin de toren. “Daar ben ik het meest op mijn plek en kan ik mij goed voorbereiden.” Als de klokken om 19.45 uur gaan luiden, kan Rien ongestoord warmblazen. “Niemand die het namelijk hoort. Na het uitluiden, valt er een korte stilte. Dan begin ik te spelen.”
Mét publiek
En ook al is het een jaarlijks optreden zonder applaus, is De Vroome maar al te blij dat er na twee jaar corona weer publiek bij kan zijn vanavond. “Je maakt muziek voor de mensen. En om dan voor een leeg plein te staan, is heel raar.”
Of er na ruim dertig jaar nog verbetering in zit met het repeteren? “Nee, dat denk ik niet”, zegt Rien lachend. Voorbereidend zijn er generale repetities met het Hoornse Harmonieorkest. En is het een kwestie van goed warmblazen. “Met een koud instrument, zeker als het slecht weer is, begin je niks.”
Eerbetoon
Rien nam zich voor om – zo lang zijn vader zou leven – de taptoe ook als eerbetoon aan hem te blijven opdragen. “Mijn vader is een oorlogsslachtoffer. In die zin dat hij gedeporteerd is geweest naar Duitsland en gelukkig levend terug is gekomen.” Maar de gruwelijkheden tekenen zijn leven. Hij praatte er nauwelijks over. Rien: “Pas in zijn laatste jaren heeft hij iets meer losgelaten en wel iets verteld over wat hij heeft gezien en meegemaakt.”
Een aantal jaar terug overlijdt zijn vader op 94-jarige leeftijd. Maar dan ook stoppen met de taptoe blazen? “Nee, daar heb ik niet over gedacht. Hoewel iemand wel een keertje het stokje over zal moeten gaan nemen. Ik hoop het zo lang mogelijk te blijven doen, misschien nog een jaar of vijf tot mijn tachtigste.”

