Een bouwbusje reed onlangs een weiland in en kwam daar vast te zitten. De bestuurder had een onverhard fietspad aangezien voor een autoweg. Zijn navigatiesysteem wist zeker dat daar een weg liep.

De weg zelf wist van niets.

Het schijnt vaker te gebeuren. Automobilisten belanden op fietspaden, zandwegen en erven waar iemand met een beetje gezond verstand zou denken: hier hoor ik met mijn auto niet te zijn. Maar wanneer een vriendelijke stem vanaf het dashboard zegt dat je rechtdoor moet, is gezond verstand kennelijk niet altijd doorslaggevend.

Ik behoor tot de generatie die met een wegenkaart op vakantie ging. Zo’n enorm vel papier dat alleen in de drukkerij correct kon worden opgevouwen. Eenmaal opengevouwen kreeg je het nooit meer in zijn oorspronkelijke toestand terug.

Reizen vereiste samenwerking. De bestuurder reed, de bijrijder had de kaart op schoot en ergens bij Lyon ontstond ruzie.

“Je had daar rechts gemoeten.”

“Dat zeg je lekker op tijd.”

Intussen had de kaart zulke afmetingen aangenomen dat hij het zicht door de voorruit begon te belemmeren. Dus werd hij maar een beetje in elkaar gepropt, in de hoop dat de nieuwe vouwen niet precies over het gebied liepen waar we de rest van de route nog doorheen moesten.

Ach ja, het was behelpen.

Maar we kwamen meestal aan. En we wisten in elk geval ongeveer waar we waren.

Je had plaatsen gezien op de kaart, kende de richting waarin je reed en wist dat Parijs niet ineens tussen Alkmaar en Den Helder kon liggen.

Dat laatste is minder vanzelfsprekend dan het lijkt.

In de voorloper van De Vakantieman liet Frits Bom vakantiegangers op een kaart aanwijzen waar ze zich bevonden. Soms belandde hun vinger honderden kilometers van de werkelijke vakantiebestemming.

We lachten erom.

Misschien waren zij hun tijd vooruit.

Ook bij de ANWB Alarmcentrale melden zich reizigers die, zodra de navigatie ermee ophoudt, nauwelijks meer kunnen vertellen waar ze zijn.

“Ziet u misschien een plaatsnaambord?”

“Nee, maar hier staat wel een bord met Travaux.”

De ANWB is tenslotte geen verbond van telepaten.

Over tweehonderd meter rechtsaf. Tweede afslag op de rotonde. Bestemming bereikt. Waar we onderweg precies zijn geweest, doet er nauwelijks meer toe.

Meestal werkt dat voortreffelijk. Ik zou mijn navigatie niet graag missen. Maar misschien besteden we ongemerkt niet alleen het zoeken naar de weg uit, maar ook een stukje van het nadenken erover.

En navigatie is maar een voorbeeld.

Telefoonnummers zitten in onze smartphone, hoofdrekenen doet de rekenmachine en voor spelling hebben we een correctieprogramma. Inmiddels is er kunstmatige intelligentie die informatie zoekt, teksten schrijft en ingewikkelde zaken voor ons samenvat.

Ook ik maak daar dankbaar gebruik van.

Misschien worden we er helemaal niet dommer van. Dat hoop ik tenminste, want anders ben ik met mijn navigatie, smartphone en kunstmatige intelligentie zelf hard op weg.

Ik wil die hulpmiddelen niet missen. Ik ga tenslotte ook niet de was weer met de hand doen om mijn zelfstandigheid te bewijzen.

Maar er is een verschil tussen een hulpmiddel gebruiken en je eraan overleveren.

Technologie mag best voor ons rekenen, zoeken en de weg wijzen. Als we zelf maar af en toe controleren of het antwoord een beetje aannemelijk is.

En vooral af en toe uit het raam kijken.

Als de navigatie zegt dat je rechtsaf moet en daar ligt een sloot, heeft de sloot waarschijnlijk gelijk.

Zelfs als de stem zegt: “Route wordt herberekend.”