De historische zeilvloot moet sterker worden verbonden met de steden en regio’s waar de schepen thuishoren. Dat vertelde Paul van Ommen, directeur van brancheorganisatie BBZ, zaterdag bij De Tafel van Knook. Volgens Van Ommen heeft de sector te weinig verteld over de maatschappelijke en culturele waarde van de vloot. Evenementen zoals de Klipperrace in Enkhuizen kunnen helpen om die band met inwoners te versterken.
Hij bezocht de race naar eigen zeggen vooral als liefhebber. “Het is echt zo bloody spectaculair”, vertelt hij in het interview. De BBZ is een landelijke brancheorganisatie en belangenvereniging voor de zeilvaart. Een kleiner deel van de leden bestaat uit ondernemers met motorpassagiersschepen.
Vloot moet meer zichtbaar worden
Volgens Van Ommen varen de historische schepen normaal gesproken veel met buitenlandse toeristen. Evenementen zoals de Klipperrace richten zich juist ook op inwoners van de eigen regio. Dat biedt volgens hem kansen om de betekenis van de schepen beter onder de aandacht te brengen.
Bekijk hier het hele interview met Paul van Ommen. De tekst gaat verder.
“Wij hebben eigenlijk dat verhaal aan de Nederlanders heel slecht verteld of heel weinig verteld”, zegt Van Ommen. Het gaat volgens hem niet alleen om de schepen zelf, maar ook om hun rol in de geschiedenis en de culturele identiteit van havensteden.
Als voorbeeld noemt hij een vlootdag die vorig jaar in Enkhuizen werd gehouden. Inwoners konden toen aan boord komen en de schepen bekijken. Voor veel bezoekers was dat volgens Van Ommen de eerste keer dat ze op die manier kennismaakten met de vloot.
De sector moet volgens hem meer samenwerken met mensen die kennis hebben van erfgoed en geschiedenis. Zij kunnen helpen om het verhaal van de historische schepen te vertellen aan een breder publiek.
Waarde is meer dan geld
De economische betekenis van de vloot is volgens Van Ommen deels in cijfers uit te drukken. Hij schat de jaarlijkse omzet van de vloot op ongeveer 90 miljoen euro. Daarbij zijn ook zeeschepen meegerekend. Hoeveel de vloot afzonderlijk oplevert voor lokale economieën, weet hij niet precies.
De maatschappelijke waarde is volgens hem minder eenvoudig te meten. Die kan zich ook uiten in de ruimte die gemeenten voor schepen beschikbaar stellen, voorzieningen in havens en de steun die inwoners geven aan het behoud van de vloot.
Van Ommen wijst op Zierikzee, waar volgens hem nog maar enkele historische schepen liggen. Hij vreest dat deze verdwijnen doordat de kosten voor het gebruik van de haven stijgen. Als bij beslissingen vooral naar havengelden en investeringen wordt gekeken, kan volgens hem de culturele betekenis van de schepen uit beeld raken.
Hij vergelijkt dat met de band tussen Urk en de visserij. “Wat is Urk zonder de vissers?”, vraagt hij zich af.
Sector moet zelf het verhaal vertellen
De brancheorganisatie verwacht volgens Van Ommen niet dat de overheid dit verhaal vanzelf oppakt. De sector moet zelf duidelijker maken waarom de historische vloot van belang is voor de samenleving. Het besef daarvan groeit volgens hem sinds de coronapandemie. In die periode ontstond binnen de vloot meer aandacht voor de toekomst van de schepen. De sector realiseerde zich dat het voortbestaan ervan niet vanzelfsprekend is.
Van Ommen ziet kansen om de band tussen de schepen en de lokale bevolking te versterken. Evenementen zoals de Klipperrace kunnen daarbij helpen, maar ook samenwerking met erfgoeddeskundigen en andere lokale betrokkenen is volgens hem nodig.


