Mijn eerste zonsverduistering was op 30 juni 1954. Ik was tien jaar en keek naar de zon door een stapeltje fotonegatieven. Dat was toen een aanvaardbare vorm van oogbescherming. Tegenwoordig weten we dat het onverstandig is.
Toen hadden we volop fotonegatieven en geen eclipsbrilletjes, nu is het andersom. Misschien bestonden die brilletjes in 1954 al, maar bij ons thuis werd geen geld uitgegeven aan iets waarvoor ook ergens in een la een oplossing lag.
Midden op een zonovergoten zomerdag werd het ineens donkerder. Vogels stopten met fluiten, mensen werden stil en er stak een fris briesje op. Alsof iemand aan de lichtdimmer van de aarde had gedraaid. De sfeer werd zelfs een beetje dreigend.
Ik had kort daarvoor De Zonnetempel van Kuifje gelezen. Kuifje wist dat er een zonsverduistering aankwam en gebruikte die kennis om aan de brandstapel te ontsnappen. Toen de zon verdween, waren de Inca’s diep onder de indruk.
Ik ook, maar ik had er geen brandstapel voor nodig.
Op 12 augustus gebeurt het weer. De maan schuift tussen de aarde en de zon en bij ons wordt bijna negentig procent van de zon bedekt. In Groenland, IJsland en Noord-Spanje is de verduistering totaal.
Voor de maan zijn die 72 jaar sinds 1954 nauwelijks het vermelden waard. Zij heeft intussen ruim negenhonderd rondjes om de aarde gemaakt. Voor mij zit er bijna een mensenleven tussen.
De zon waarnaar dat jongetje van tien door zijn fotonegatieven keek, is dezelfde zon waarnaar ik door een eclipsbrilletje kijk. De maan is dezelfde maan. Alleen het jongetje is veranderd.
Ouder worden tussen twee eclipsen. Wat verwachtte dat jongetje van tien eigenlijk van zijn leven? Ik denk dat ik daar nauwelijks mee bezig was. Kinderen leven meer in het heden dan volwassenen. De toekomst was iets vaags waarin je ooit groot zou zijn. Wat dat precies betekende, zag ik later wel.
Ik wist niet wie ik zou ontmoeten, van wie ik zou houden en van wie ik afscheid zou moeten nemen. Niet welk werk ik zou doen, waar ik terecht zou komen of welke afslagen ik onderweg zou nemen. Het grootste deel van mijn leven bestond nog niet eens als gedachte.
Misschien is dat achteraf het merkwaardigste. Op die zomerdag in 1954 lag bijna alles wat mijn leven zou worden nog voor me.
De wereld is intussen ook veranderd. In 1954 was de Tweede Wereldoorlog nog maar negen jaar voorbij, televisie een bijzonderheid en hing de telefoon in de gang. Nu dragen we een telefoon, fototoestel, televisie en halve wereldbibliotheek in onze broekzak.
Techniek ontwikkelt zich kennelijk sneller dan wijzelf.
Want terwijl zon, maan en aarde onverstoorbaar hun baan volgen, voeren mensen nog altijd oorlog. Ze slaan elkaar de schedel in uit onverdraagzaamheid en om grondgebied waarvan de grenzen vanuit de ruimte niet eens te zien zijn.
De aarde zelf trekt zich daar weinig van aan. Zij draait met zo’n 107.000 kilometer per uur om de zon, terwijl ons zonnestelsel met ongeveer 800.000 kilometer per uur door de Melkweg raast.
Daar merk je gelukkig niets van. Anders werd een fietstochtje over de Westfriese Omringdijk een hachelijke onderneming.
Een zonsverduistering laat je even voelen hoe overweldigend de natuur is. Wij kunnen plannen maken, grenzen trekken en onszelf heel belangrijk vinden, maar uiteindelijk is de natuur de baas. We leven bij haar gratie.
Het kan geen kwaad daar af en toe aan herinnerd te worden.
Een heel mensenleven duurt voor de kosmos nauwelijks een ogenblik. De tijdschalen verschillen onvoorstelbaar, maar uiteindelijk is alles vergankelijk. Zelfs onze vertrouwde aarde.
Over enkele miljarden jaren zal de zon zo enorm opzwellen dat Mercurius en Venus worden opgeslokt en mogelijk ook de aarde eraan moet geloven.
Maar daarvoor hoeft voorlopig de veiligheidsregio niet in actie te komen.
Wie de verduistering van 12 augustus mist, krijgt in 2081 weer een vergelijkbare kans.
Voor de kosmos is dat bijna morgen.
Voor ons ligt dat iets ingewikkelder.
Daarom kijk ik ditmaal goed.
In 1954 deed ik dat door een stapeltje fotonegatieven. Nu gebruik ik een eclipsbrilletje.
Een mens leert tenslotte wel iets.


