In de bibliotheek waar ik soms kom, tussen literatuur, streekromans en oude kranten, lopen mensen rond die de tijd nemen om te lezen. Er hangt nog altijd de rustige sfeer van een voorbije tijd.

Laatst zat daar een man achter een laptop. Hij leek op een krantenredacteur uit een oude film. Bril half op zijn neus, gefronste wenkbrauwen, het gezicht van een generatie die nog schreef op een typemachine. Op zijn scherm verschenen woorden sneller dan hij ze kon lezen.

Terwijl ik mij verbaasde over de snelheid waarmee de tekst over zijn scherm rolde, drong het tot mij door dat hij met een artificiële intelligentie in gesprek was.

AI zit inmiddels ingebouwd in veel zoekmachines en computerprogramma’s. Het nestelt zich steeds dieper in ons dagelijks leven. Artificiële intelligentie denkt met je mee, adviseert, maakt beelden en voert gesprekken alsof er iemand tegenover je zit.

En misschien is dat nog wel het meest opmerkelijke: hoe snel het vertrouwd raakt.

Ik betrapte mezelf onlangs erop dat ik “dank je wel” zei tegen mijn telefoon toen een app iets voor mij had opgezocht.

Een mens is onderhevig aan stemmingen, een computerprogramma niet. Misschien is dat waarom zulke systemen worden omarmd. Ze oordelen niet. Ze onderbreken niet. Ze worden niet moe van je verhaal. Ze reageren vriendelijk, geduldig en onmiddellijk.

Maar helemaal vanzelfsprekend is het niet.

Want gesprekken tussen mensen hebben rafelranden. Stiltes. Misverstanden. Twijfel. Een blik die meer zegt dan woorden.

Een machine kent geen stilte.

Alleen verwerkingstijd.

Misschien is daarom volledig door AI vervaardigde inhoud vaak té perfect.

Op het filmfestival van Cannes draaide onlangs een volledig door AI gemaakte speelfilm. Technisch indrukwekkend misschien, maar volgens bezoekers toch vreemd leeg. Alles was aanwezig, maar zonder ziel.

Zelfs boeken worden inmiddels door kunstmatige intelligentie geschreven. Dat idee was een paar jaar geleden nog sciencefiction. Nu is dat al ongemakkelijk normaal.

Wat mensen maken komt niet alleen voort uit kennis, maar ook uit wat zij hebben meegemaakt. Uit verlies. Uit verliefdheid. Uit heimwee. Artificiële intelligentie kan miljoenen boeken lezen, maar heeft nog nooit slapeloos naar een plafond liggen staren.

Dat verschil doet ertoe. Tenminste voorlopig nog wel.

Toch zegt ongemak nog niet automatisch dat iets verkeerd is. Elke tijd kent technologie die eerst vervreemdt en later vanzelfsprekend wordt. De boekdrukkunst veranderde de wereld. Radio deed dat. Televisie. Internet. Nu artificiële intelligentie. AI kent inmiddels toepassingen die variëren van alledaagse hulp tot autonome wapensystemen (die grote ethische vragen oproepen).

Daarbij is de vraag al lang niet meer of die ontwikkeling doorgaat. Die trein is al vertrokken.

De echte vraag is misschien veel eenvoudiger: wat willen wij zelf blijven doen?

Twijfelen bijvoorbeeld.

Luisteren.

Een gesprek voeren zonder haast.

In de bibliotheek stond de man uiteindelijk op. Hij rekte zich uit en liep naar buiten, de zon in. Op tafel bleef alleen de laptop achter, het scherm op zwart.

Dat voelde onverwacht geruststellend.

Gelukkig bestaat er nog altijd een wereld die niet voortdurend geoptimaliseerd hoeft te worden.

En misschien is dat wel precies de plek waar we mens blijven.