In West-Friesland kijken we meestal eerst even de kat uit de boom. Niet uit wantrouwen, maar omdat we graag willen weten waar we aan beginnen. Een gezonde gewoonte, zou je denken. Zeker nu er ineens zelfrijdende Tesla’s de weg op mogen.

Maar hoe zelfrijdend is zo’n auto eigenlijk? De naam doet vermoeden dat je onderweg rustig de krant kunt lezen of even je e-mail bijwerkt. Maar nee: handen aan het stuur, ogen op de weg, klaar om elk moment in te grijpen. De bestuurder blijft verantwoordelijk. Met andere woorden: de auto rijdt niet zelf — jij moet alleen doen alsof.

Toch wordt dit verkocht als vooruitgang. Alsof we op het punt staan het stuur definitief los te laten en ons zorgeloos door de techniek te laten vervoeren. In werkelijkheid krijgen we een systeem dat vooral verwachtingen wekt dat het niet kan waarmaken.

We noemen het ‘zelfrijdend’, maar bedoelen: half. We noemen het ‘slim’, maar bedoelen: oplettend. En we noemen het ‘innovatie’, omdat ‘duidelijk nog niet af’ zo slecht bekt.

Intussen schuift er iets anders ongemerkt mee. De rol van de mens wordt kleiner. Rijden verandert van een vaardigheid in een vorm van toezicht. Je zit nog wel achter het stuur, maar vooral om in te grijpen als het misgaat. Van bestuurder naar achterwacht. Het is de menselijke variant van een noodrem: nodig, maar liever niet gebruiken.

Dat patroon zien we overal. De bank waar niemand meer zit. De klantenservice die je vriendelijk doorstuurt naar een chatvenster waar je na drie vragen al spijt van hebt. Efficiënt, absoluut. Maar ook afstandelijk en zelden toereikend.

En juist in het verkeer zit nog iets dat zich niet zo makkelijk laat automatiseren. Een handgebaar bij een smalle weg. Even wachten, ook als je voorrang hebt. Het korte knikje dat zegt: ga maar. Het groeten van een bekende. Gewoon, omdat je elkaar nog ziet.

Een algoritme doet dat anders. Het rekent, analyseert en reageert. Keurig volgens de parameters, waarschijnlijk veiliger manoeuvrerend door de drukte dan wij. Maar ook zonder gevoel voor wat er tussen die regels gebeurt. Het zal nooit even denken: laat ik vandaag eens coulant zijn. Daar is geen instelling voor.

En toch rollen die systemen van alle automerken straks onze straten op. Want het kan, dus gebeurt het. En omdat niemand degene wil zijn die ‘nee’ zegt tegen vooruitgang. Alsof technologische vooruitgang een natuurkracht is waar je je maar bij neer moet leggen.

Maar dat is onzin. Technologie is geen regenbui. We kiezen ervoor. We laten het toe, we kopen het, we wennen eraan — en voor je het weet vinden we het normaal.

Begrijp me niet verkeerd: als het aantoonbaar veiliger wordt, is dat winst. Maar laten we onszelf niet wijsmaken dat we er alleen maar op vooruitgaan.

Want wat we inleveren, verdwijnt stilletjes. Een vaardigheid hier, een stukje menselijkheid daar. Tot het moment dat we niet eens meer achter het stuur zitten — en ons afvragen waarom niemand dat blijkbaar heeft gemist.

Dus laat die zelfrijdende auto’s maar komen, ook hier over onze West-Friese dijken. Maar laten we zelf blijven opletten. Niet alleen op de weg, maar ook op elkaar.

En misschien, heel misschien, toch af en toe even knikken. Ook al zit er straks niemand meer achter het stuur om terug te groeten. Dat leer je niet zomaar af.