Ik moet iets toegeven: ik was nooit zo van het voetbal. Natuurlijk keek ik weleens wanneer Nederland speelde. Dat hoorde erbij, zoals op Koningsdag iets oranjes aantrekken. Maar verder kon ik uitstekend leven zonder te weten wie er bovenaan stond, wie er was gedegradeerd en waarom een trainer alweer ontslagen moest worden.

Aan mijn zitvlees lag het niet. Op YouTube kon ik uren kijken naar filmpjes van een deskundige in lichaamstaal. Die legt uit wat een politicus denkt wanneer hij Donald Trump een hand geeft. Een afgewende blik, een hand op een schouder of een bewegende mondhoek: niets gebeurt zomaar. Zelf dacht ik dat iemand soms gewoon jeuk aan zijn neus heeft, maar volgens de deskundige kan daar een complete kabinetscrisis achter schuilgaan.

Voor een voetbalwedstrijd van negentig minuten had ik dat geduld niet.

Dacht ik.

Tijdens het wereldkampioenschap bleef ik toevallig hangen bij een wedstrijd. Daarna keek ik er nog een. En nog een. Tot mijn verbazing begon het spel mij te boeien. Misschien omdat een voetbalwedstrijd voortdurend lichaamstaal is. Spelers dagen elkaar uit, tonen zelfvertrouwen of verbergen dat ze bang zijn om te verliezen. Na een gemiste kans trekt over een gezicht meer teleurstelling voorbij dan een deskundige in een kwartier kan analyseren.

Een van de eerste wedstrijden die ik zag, was Duitsland tegen Curaçao. Curaçao verloor met 7-1, maar het was een heerlijke wedstrijd. Toen Curaçao de gelijkmaker scoorde — het allereerste doelpunt van het land op een WK — vierden de spelers en supporters feest alsof de wereldbeker al binnen was. Misschien betekende dat ene doelpunt voor hen wel meer dan de pijn van zes Duitse treffers die daarna volgden.

Later zag ik Argentinië tegen Engeland. Argentinië stond met 1-0 achter, maar bleef aanvallen. In de 85ste minuut werd het gelijk en in de blessuretijd zelfs 2-1. Als niet-voetbalkenner dacht ik: dat is geen geluk meer. Dat is weigeren te verliezen. Al werd dat soms wel erg letterlijk genomen. Er werd geduwd, getrokken en geschopt alsof de bal slechts een hinderlijke bijkomstigheid was.

Dat er op een voetbalveld ook toneel wordt gespeeld, staat wel vast. Sommige spelers storten na een lichte aanraking ter aarde alsof zij door een vrachtwagen zijn overreden. Na een blik tussen de vingers blijkt het letsel meestal mee te vallen. Het doet denken aan de Italiaanse commedia dell’arte, een uitbundige vorm van volkstoneel. Het voetbal heeft daar een moderne variant aan toegevoegd, met gras, camera’s en de VAR als recensent.

Na de gewonnen finale mocht Spanje de wereldbeker ophalen. Toen begon naast het voetbal ook het politieke theater.

Bij de prijsuitreiking verschenen FIFA-baas Gianni Infantino en Donald Trump op het veld. Uitgerekend Spanje was wereldkampioen geworden, het land dat volgens Trump te weinig aan de NAVO bijdraagt. Toen beide heren verschenen, klonk luid boegeroep.

Trump hielp onverstoorbaar bij het uitreiken van de medailles. De Argentijnse verdediger Cristian Romero liep hem voorbij zonder hem een hand te geven, terwijl hij anderen wel begroette. Bewuste afwijzing of gewoon over het hoofd gezien? Daarvoor hebben we deskundigen in lichaamstaal.

Toen de Spanjaarden de wereldbeker omhooghielden, bleef Trump opvallend lang bij de ploeg staan, totdat Infantino hem voorzichtig uit beeld begeleidde.

Misschien heb ik toch niet urenlang naar voetbal gekeken, maar naar mensen.

Alleen rolde er ditmaal vaak een bal tussendoor.