Het is nog nauwelijks waarneembaar, maar het is er wel. Het licht. Niet ineens, niet spectaculair, maar net genoeg om te merken dat de dag zich uitrekt. Vijf uur ’s middags voelt niet meer als avond. Dat ene kleine verschil zet iets in gang.
In de schuur staat mijn elektrische fiets. Geduldig, stoffig, wintermoe. Hij heeft maandenlang niets anders gedaan dan wachten. Ik ook trouwens. Ik hoor niet bij de mensen die het hele jaar door fietsen, weer of geen weer. Ik ben geen diehard. Geen held. Fietsen is voor mij geen karaktertest. Het moet iets opleveren. Ruimte in mijn hoofd. Warme handen helpen daarbij. En licht.
Ik weet ook wel waarom ik geen winterfietser ben. Het is niet alleen de kou of de regen. Het is vooral dat ontspanning in de winter voelt als iets wat je moet volhouden. Alsof je moet doorzetten. En ik heb al genoeg gedoe met mezelf en met een wereld die altijd sneller lijkt te willen. Dus laat ik die fiets staan. Uitstel, verpakt als keuze. Tot het licht terugkomt en voorzichtig suggereert dat het weer kan. Blijkbaar ben ik gevoeliger voor de zon dan ik zelf zou toegeven.
Inmiddels begint het te kriebelen. Niet om meteen te gaan, maar om iets te doen. Ik haal de fiets van zijn plek, veeg met een doek langs het frame en knijp in een band die betere tijden heeft gekend. Meer is het nog niet. Maar het is genoeg om te weten: dit is een begin.
Want fietsen hier is nooit alleen maar fietsen. Het is deelnemen aan die kleine, rijdende samenleving, op een strook van 1,5 meter breed. Eén fietspad, vijf snelheden. De scholier met oortjes in. De e-biker die ‘rustig’ rijdt maar toch nog altijd de vijfendertig aantikt. De racefietser die niet onderweg is, maar traint, en na afloop vooral kijkt wat zijn horloge ervan vond.
En dan de recreant. De toerist met huurfiets die abrupt stopt omdat de lucht zo mooi Hollands is. Wat ook zo is. Alleen niet hier. Niet nu. Het fietspad is geen uitkijkpunt, al nodigt het landschap daar soms wel toe uit.
Iedereen vindt dat hij precies goed fietst. Inclusief ikzelf, uiteraard. Vooral op dagen dat ik net iets te laat bel. Die bel is een wonderlijk instrument. Eén keer is vriendelijk. Twee keer licht geïrriteerd. Drie keer een verwijt. En sommige mensen horen hem nooit, alsof niemand anders op dat fietspad bestaat.
Toch zit er ook iets moois in. Een knikje naar de tegenliggers. Een hand omhoog bij voorrang. Het stille akkoord dat we dit samen doen, ook al denken we allemaal dat ons tempo het juiste is.
Misschien is dat wat het terugkerende licht met ons doet. Het maakt ons net iets milder. Net iets geduldiger. Het idee dat er weer ruimte komt, in de dag en op het pad. Dat niet alles meteen hoeft.
Mijn fiets staat nog in de schuur. Nog even. Eerst poetsen. Maar het licht is terug. En dat betekent dat ik me binnenkort weer meng in die kleine samenleving. Niet om sneller te gaan. Maar om te kijken of het ook iets langzamer kan. Met goede moed. En een bel. Eén keer laten rinkelen. Misschien twee. Meer hoeft het voorlopig niet te zijn.


