Voordat ik mij bezig hield met het schrijven van columns, heb ik jarenlang in het bedrijfsleven gewerkt. Daar maakte ik in de jaren tachtig de omslag mee die de opkomst van de computer veroorzaakte.
Dat was een slagveld.
Grofweg waren er twee soorten mensen: degenen die de digitalisering omarmden en degenen die hoopten dat het wel weer over zou waaien. Daartussen zat een grote groep die eerst maar eens keek wat de buurman deed. De computer was de frisse wind die door fabriekshallen en burelen waaide. Bedrijven als IBM en Microsoft bliezen die aan tot een orkaan.
Een paar jaar later was de strijd beslist. De computer stond op ieder bureau, typemachines verdwenen naar de kelder en niemand vroeg zich nog af of digitalisering wel zo’n goed idee was. Sommigen maakten zich de nieuwe techniek eigen, anderen legden zich er met enige tegenzin bij neer en voor een enkeling ging het eenvoudigweg te snel.
Zelf was ik vanaf het begin gefascineerd door de mogelijkheden van de pc. Dat ben ik nog steeds. Ik behoor inmiddels tot de generatie die geacht wordt bij digitale zaken af en toe de kleinkinderen te moeten bellen. Die fase heb ik tot dusver weten over te slaan.
Onze boekhouder had er meer moeite mee. Naast zijn boekhouding op de pc hield hij voor de zekerheid zijn oude administratie bij op papieren dertienkolomsstaten. Iedere maand ontdekte hij een verschil en besteedde vervolgens thuis soms een heel weekend aan het bewijzen dat de computer een fout had gemaakt. Uiteindelijk bleek de fout altijd ergens in zijn dertien kolommen te zitten. De computer liet zich niet overtuigen.
Niet lang daarna mocht hij vervroegd en met alle egards met pensioen.
Degenen die de nieuwe techniek hadden omarmd, waren ondertussen de ervaren krachten geworden. Ze kenden de mogelijkheden én de beperkingen en wisten dat een computer razendsnel precies de verkeerde dingen kon doen als je hem de verkeerde opdrachten gaf.
De frisse wind was gaan liggen. Wat overbleef, was kennis en ervaring.
Tot de volgende opstak.
Daarna bleef het waaien. Internet, mobiele telefoons, sociale media en nu kunstmatige intelligentie. Voor je aan de ene frisse wind gewend was, werd het volgende raam alweer opengezet. Eerst roepen de enthousiastelingen dat alles gaat veranderen. Vervolgens zeggen de sceptici dat het zo’n vaart niet zal lopen. Uiteindelijk hebben ze meestal allebei een beetje gelijk.
Wat mij vooral fascineert, is wat er onderweg met de vernieuwers gebeurt.
De jonge medewerker die ooit enthousiast een computer op zijn bureau zette terwijl een oudere collega bij zijn kaartenbak zwoer, werd later misschien degene die mopperde dat al dat internet nergens voor nodig was. En de internetpionier vraagt zich tegenwoordig wellicht af waarom iedereen zo nodig iets met kunstmatige intelligentie moet.
De frisse wind van gisteren wordt gemakkelijk de oude garde van vandaag.
Inmiddels behoor ik zelf tot die oude garde. Tenminste, volgens de kalender. Het merkwaardige is dat niemand je vertelt op welke dag je precies bent overgegaan van frisse wind naar ervaring.
Daarom heb ik wat moeite gekregen met de uitdrukking. Want wie bepaalt eigenlijk wat fris is?
Nieuw is niet automatisch beter, zoals oud niet automatisch verstandig is. Ervaring kan verstarren. Maar ervaring kan ook voorkomen dat iemand enthousiast een fout maakt die tien jaar eerder al eens met evenveel enthousiasme is gemaakt.
Misschien hebben we daarom niet voortdurend een frisse wind nodig, maar af en toe gewoon een raam dat open kan. Nieuwe ideeën naar binnen, ervaring niet naar buiten.
Dat lijkt me een gezonde vorm van ventilatie.
Zet dus gerust de ramen open. Laat het waaien en wees niet bang dat er iets van tafel vliegt.
Maar gooi niet meteen het meubilair naar buiten.
Frisse lucht is gezond.
Tocht wordt meestal pas later opgemerkt.


