Lopen werd steeds meer een uitdaging. “Eerst maar eens een paar kilo’tjes afvallen, dan zien we wel verder”, was het advies. Dus sloot ik mij aan bij een groepje lotgenoten.

Eén keer per week gezamenlijk sporten onder begeleiding van een gepassioneerde therapeute. We deden trajectjes: hinkelen, duwen en trekken, met een bal heen en weer zonder en met stuiteren, rondjes lopen en zwaaien met touwen die zo dik waren dat je er een binnenvaartschip mee kon aanleggen. 

Toen we een halfjaar gewerkt hadden aan afvallen, stopte de groepsactiviteit. De therapeute was tevreden. Dat voelde als winst.

Een sportvriend besloot het sporten voort te zetten in een sportschool. Dat leek mij ook een goed idee voor het op peil houden van mijn conditie, al voelde ik ook twijfel. Ik had een beeld dat daar uitsluitend mannen rondliepen die verliefd waren op hun eigen spiegelbeeld. Mannen die hun spieren trainden om nog meer bewondering te kunnen oogsten voor de opgekweekte spiermassa.  

In de folder van de sportschool had ik al ontdekt wat de aangeboden mogelijkheden waren. Een hele lijst waarvan het meeste voor mij abracadabra was. Als nieuwste aanwinst stond er ‘sled push’ tussen. Dat zei mij niets. Later ontdekte ik dat je daarbij een metalen slee voortduwt. Vroeger deden we zoiets alleen als de auto niet wilde starten.

Ik zag een wereld voor me van strakke shirts, brede schouders en gesprekken over biceps, triceps en eiwitshakes. Daarin had ik zelf niet veel meer stof in te brengen dan dat mijn broek begon te knellen. 

Maar het viel gelukkig allemaal reuze mee. Ik trof vooral gewone West-Friezen. Mensen die niet opscheppen over hun prestaties, maar het gewoon doen.

Ik koos voor een abonnement in de daluren. Of de macho’s werkelijk alleen op de topuren komen weet ik nog steeds niet, maar ik ben ze nog niet tegengekomen.

De loopband en de hometrainer herkende ik wel. Maar verder zag ik allerlei toestellen waarvan ik geen idee had waarvoor ze dienden, laat staan hoe ze werkten.

De eerste keer dat ik een apparaat probeerde, wist ik niet eens aan welke kant ik moest gaan zitten. Ik keek eerst hoe anderen het deden. Dat werkte prima totdat ik iemand nadeed die blijkbaar óók niet wist hoe het apparaat werkte. Ik vroeg mij af of ik het niet beter kon opgeven. Of gewoon een eindje te wandelen in plaats van mij hier tussen al dat ijzer in het zweet te werken.

Na verloop van tijd kreeg ik één apparaat goed onder de knie. Letterlijk. Ik zat erin en duwde met mijn benen een zware plaat van mij af. Dat bleek goed te zijn voor de spieropbouw. Vanaf mijn apparaat keek ik uit op een toestel met een lange stang en grote ronde gewichten aan weerszijden. Daar was een man mee bezig. Volledig geconcentreerd. Alsof de rest van de wereld niet bestond. Het was fascinerend om te zien.

Hij schoof extra gewichten op de stang en ging eronder liggen. Vervolgens probeerde hij het gevaarte omhoog te duwen. Het lukte niet. Onder het uitstoten van onverstaanbare geluiden kwam de stang een paar centimeter los en zakte weer terug. Toen riep hij iets wat ik wél goed kon verstaan.

Hij ging rechtop zitten. Nam een slok uit zijn sportfles. Daarna ging hij in kleermakerszit op de mat zitten. Een minuut lang gebeurde er niets. Hij keek voor zich uit alsof hij contact probeerde te maken met hogere machten. Toen stond hij op. Met een blik die ergens tussen vastberadenheid en lichte waanzin in hing. Hij bepoederde zijn handen en ging weer liggen. Pakte de stang vast en zocht de juiste positie. Duwde. 

En dit keer ging het gevaarte omhoog.

Geen tien centimeter. Geen twintig. Zeker wel vijftig. Weer hoorde ik oergeluiden, nu een octaaf hoger dan de vorige keer. Met een harde klap viel de stang daarna terug in de houder. Mensen keken op.

De man stond op. Zijn missie was geslaagd. Tevreden liep hij naar een ander toestel. Ik keek hem na. En dacht: wat een doorzetter.

Ik duwde de plaat van mijn apparaat nog maar eens extra stevig van mij af.

Hoezo opgeven?