Bij het tienjarig jubileum van mijn school werd een ballonnenwedstrijd georganiseerd. Dagen van tevoren hield het mij al bezig. Op een kaartje moest je je naam en adres invullen. Voor de vinder stond er in het Frans, Duits en Engels het verzoek om het kaartje terug te sturen. Daarna werd het aan het touwtje van je met helium gevulde ballon vastgemaakt.
Op een teken van de bovenmeester liet iedereen tegelijk los. Dat voelde vreemd, misschien wel juist omdat ik er dagenlang naar had uitgekeken. Met nog trillende handen van het krampachtig vasthouden keek ik hem na. Daar ging-ie.
Honderden gekleurde ballonnen stegen op boven het schoolplein.
Al direct was sprake van ongelijke kansen. Sommige ballonnen schoten omhoog alsof ze haast hadden. Andere bleven wat hangen, draaiden een rondje of verdwenen tussen de bomen. Een enkele ballon knapte zelfs nog voor hij goed en wel op weg was.
Voor sommigen was de wedstrijd dan al voorbij.
Omdat ik een rode had gekozen, kon ik mijn ballon nog lang van de rest onderscheiden. De kleur stak duidelijk af tegen de blauwe lucht. Maar uiteindelijk werd ook hij een stipje tussen alle andere.
Daarna begon het fantaseren.
Misschien kwam hij in Frankrijk terecht.
Of in Duitsland.
Misschien in Engeland.
Misschien nog veel verder.
Het mooie van zo’n ballonnenwedstrijd was niet het winnen. Het mooie was dat je iets de wereld instuurde waarvan je niet wist waar het terecht zou komen. Een klein kaartje met jouw naam erop, onderweg naar een onbekende bestemming.
Tegenwoordig zie je zulke ballonnenwedstrijden niet meer. Terecht, want we weten inmiddels dat iedere ballon uiteindelijk ergens weer neerkomt en als afval achterblijft.
De spanning was groot. Elke dag keek ik of het kaartje al was teruggestuurd. Maar na een paar weken nam de spanning langzaam af. Ik zal nooit weten waar mijn ballon terecht is gekomen.
Die ballonnenwedstrijd schoot mij weer te binnen toen ik las over een tijdcapsule die werd teruggevonden in de kruipkelder van een school in Hoorn.
Bijna dertig jaar geleden hadden leerlingen in een metalen koker briefjes, tekeningen en wensen gestopt. De capsule werd onder de vloer verborgen en raakte vergeten. Totdat hij onlangs werd gevonden.
De inhoud bleek verrassend ontroerend.
Een meisje had geschreven: “Ik hoop dat er geen oorlog meer komt.”
Een andere leerling hoopte dat zijn toekomstige kinderen nooit oorlog zouden meemaken.
Ineens waren de kinderen van toen weer even zichtbaar.
Met hun dromen, hun zorgen. Hun verwachtingen van de toekomst die nog ver weg lag.
Inmiddels zijn we in die toekomst.
Een tijdcapsule lijkt bedoeld voor later, maar vertelt eigenlijk vooral iets over het moment waarop die werd gevuld. Over de tijd waarin mensen leefden. Over wat hen bezighield. Waar ze bang voor waren. Waar ze op hoopten.
Misschien is een tijdcapsule daarom meer een spiegel van het verleden dan een venster op de toekomst.
En eigenlijk verschilt zo’n tijdcapsule niet eens zo veel van die ballonnenwedstrijd uit mijn jeugd. In beide gevallen stuur je iets op weg in de hoop dat het ooit door iemand wordt gevonden.
Mensen vullen tijdcapsules om een stukje van hun tijd mee te geven aan de toekomst. Een briefje. Een foto. Een verhaal. Een wens. Een kaartje met je naam erop.
Niet om zelf eeuwig te zijn.
Maar om ooit nog even te kunnen zeggen:
Wij waren hier.
De ballonnen zijn allang verdwenen. De kinderen van toen zijn volwassen geworden. Hun dromen zijn tijdloos.
Alsof ze ons, na al die jaren, alsnog een bericht hebben gestuurd.
Met vriendelijke groet,
van vroeger.


